Wil je iets meer weten over historische kaarten? Maar heb je geen behoefte om er meteen een afstudeerscriptie over te schrijven? Met deze 3 feiten is je basiskennis bijgespijkerd.

1. Waar ligt het noorden?

Als je weleens een moderne kaart in handen hebt gehad, weet je dat het noorden in 99 van de 100 gevallen boven ligt. Bij een kaart van Nederland betekent dat dus dat de waddeneilanden zich aan de bovenkant van het papier bevinden, en Limburg rechtsonder. Zo'n kaart is op het noorden geörienteerd zeggen we dan. 'Het noorden boven' is geen wet, maar eigenlijk alleen een ongeschreven regel.

In het verleden lag het noorden op kaarten lang niet altijd boven. In bijvoorbeeld de atlassen van Blaeu en De Wit kan het noorden op elke kaart weer anders liggen: zowel onder, boven, links als rechts komen voor.

Een van de redenen waarom de kaartenmakers vaak voor een oriëntering op het westen, zuiden of oosten kozen, is de maat van het papier waarop de kaart werd afgedrukt. De kaart van Nederland werd regelmatig met het zuiden aan de linkerkant afgebeeld, omdat de opengeslagen atlas liggend georiënteerd was: de breedte was dan langer dan de hoogte. En dan past Nederland er liggend nou eenmaal beter op dan staand.

Oude kaart van Nederland, met het noorden rechts.

Doordat Nederland op deze manier, met het westen boven, af te beelden, komen sommige mensen op de gedachte dat de Noordzee daar zijn naam aan heeft te danken. De zee voor de kust van Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland ligt immer schijnbaar in het 'noorden'. Maar om het simpel te zeggen: dat is onzin. Want ook als de Noordzee boven op de kaart ligt, heet die windstreek natuurlijk nog niet het noorden, maar altijd nog het westen. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat zeeën (en steden of rivieren) hun naam kregen op basis van een kaart. Het was in de regel andersom: op de kaart kwamen de namen terecht die de zeeën, steden en rivieren al hadden.

2. Wat is de schaal?

Tot in de 19e eeuw werd de schaal op een kaart altijd aangeduid in de vorm van een of meerdere schaalstokken. In die tijd bestond het metrische stelsel nog niet. Afstanden werden uitgedrukt in duimen of mijlen, twee maten waar geen logische verhouding tussen bestond (zoals de metrische factor 10).

De mijl was bovendien geen vaststaande maat: je had onder andere de Engelse mijl, de Nederlandse mijl en de Duitse mijl. Deze laatste werd het meest gebruikt.

De kaarten van Nederland is onze collectie hebben vaak meerdere schaalstokken.

Wilde je de afstand tussen bijvoorbeeld twee steden weten, dan mat je de schaalstok tussen een passer, zette je de passer vast en gebruikte je deze maat om de afstand tussen de twee steden te meten. Het aantal keren dat de passer ertussen paste, vermenigvuldigde je dan met de schaalstok en zo had je het aantal mijlen.

3. Cartouches

Een cartouche is een versierd kader met randinformatie, zoals kaartenmakers dat noemen. Denk bijvoorbeeld aan de titel van de kaart, de opdracht, de schaal, toelichtende teksten, en het type versieringen dat toen in de mode was.

Uitsnede uit een kaart van Zuid-Holland. Zichtbaar zijn het cartouche en de versieringen ervan.

Kaarten zijn vaak te dateren aan de hand van de versiering van het cartouche. In de 16e en 17e eeuw zijn de versieringen meestal zuiver decoratief: er was dan geen relatie met het afgebeelde gebied. Later in de 17e eeuw zie je in de cartoucheversiering vaak wel een relatie met de kaart.

Op kaarten van Blaeu zie je vaak de stads- of provinciewapens in het cartouche. Je ziet daarbij regelmatig dat het wapen zelf en de tekeningen erin wel kloppen, maar de kleuren niet. Dat komt doordat de kaarten pas na het afdrukken werden ingekleurd, waarbij het regelmatig voorkwam dat de persoon die de kaart ingekleurde, geen kennis had van de kleuren die het wapen hoorde te hebben. Hij deed dan in feite maar wat.